“And if I only could, I’d make a deal with God. And I’d get him to swap our places. Be running up that road….”
Ik loop ergens tussen Caborredondo en Ciguënza als ik Kate Bush uit een speaker hoor knallen. En hoewel ik mijn hele leven al fan ben van Kate, irriteert het me dit keer haar te horen. Na 5 dagen lopen in mijn eentje ben ik gesteld geraakt op de stilte en de ruimte om me heen. De enige stoorzenders die ik duld, zijn zee, wind, auto’s, blaffende honden en klingelende koebellen.
Ik vertraag mijn pas en kijk om me heen, op zoek naar de geluidsbron. Maar ik zie alleen het Schotse echtpaar, dat ik in Santander tegenkwam, een meter of 20 achter me lopen. Als ze dichterbij komen, ontdek ik een JBL-speaker bungelend aan de schouder van de man en is mijn mysterie opgelost. Ik glimlach naar de Schotten en maak een opmerking over de toepasselijkheid van de tekst van ‘Running up that hill’ tijdens de camino. De Schotten glimlachen terug, terwijl ze passeren met ferme pas.
Wat vind ik hier nou van? Via een speaker muziek afspelen tijdens het lopen. Wat is er mis met airpods? Oké, dit zijn man en vrouw, ze houden blijkbaar van dezelfde muziek en ze hebben geen zin om iets in hun oor te proppen. Maar hebben ze erbij stilgestaan dat ze de omgeving zo hun muziek opleggen? Dat het niet mogelijk is de muziek niet te horen? Dat de omgeving wellicht stilte prefereert boven geluid? Ik loop verder in stilte en besluit dat iedereen het recht heeft de camino op zijn of haar eigen manier te lopen en te beleven. Met of zonder muziek, met of zonder bepakking, met of zonder reisgenoot, met of zonder telefoon. Ik dacht dat die laatste soort was uitgestorven, maar in Laredo trof ik een exemplaar aan. Terwijl ik in de eetzaal van het hostel mijn volgende etappe aan het doornemen was, sprak hij me aan. Hugh, een Ier.
‘Have you seen anyone at the reception?’, vraagt hij me.
De man lijkt me rond de vijftig. Hij oogt verwilderd en vriendelijk.
‘No, but maybe I can help you out’, antwoord ik en sla mijn boek dicht.
‘Well, I’d like to book for the night.’
Nu word ik een tikje argwanend. Dit is een onbemand hostel, waar je alleen online kunt boeken, waarna je via Whatsapp een code krijgt toegestuurd die je bij de voordeur intoetst om binnen te kunnen komen. Maar deze man is al binnen. Is hij soms meegelopen met de Noorse schoolklas die hier ook verblijft? Heeft hij al een boeking en is dit een atypische openingszin om met mij contact te leggen? Of ben ik gek geworden?
‘Huh, you don’t have a booking?’ check ik.
‘No.’
‘But then, how did you get in?’
‘Those kids were entering and they left the door open. So I thought, I get in and book myself a room. But now there’s no one here…’
Hij kijkt me vragend aan.
‘You can visit the website or booking.com and make a reservation’, zeg ik hem, terwijl ik steeds minder van de situatie begin te begrijpen. Deze man lijkt me niet wereldvreemd, dus waarom moet ik hem zoiets normaals uitleggen als de manier waarop je een overnachting boekt? Bovendien is dit vast niet zijn eerste loopdag. Als hij, net als ik, in Bilbao is gestart, dan heeft hij minstens 2 en misschien wel 3 overnachtingen achter de rug. Dan weet hij toch hoe het werkt?
De man toont mij nu zijn meest innemende glimlach en vraagt of ik voor hem kan boeken. Hè?
Mijn reactie is terughoudend: ‘Well, I’m not sure I can, cause I have already booked so I guess my phone number is connected to my booking. I’m not sure if I can make a second booking with the same number.’ Maar ik snap nog steeds niet waarom hij het niet zelf kan doen. ‘But why can’t you book yourself?’
Zijn antwoord klinkt zakelijk: ‘I don’t have a phone.’
‘What? Are you joking?’
‘Well, I do have a phone. Back home. I decided to go on the camino without a phone. Just like the old pilgrims used to do.’
‘Wow! A man with no phone. On the camino. That’s quite a challenge’, antwoord ik met een mix van verbazing en bewondering in mijn stem. ‘Let me send a message to the Whatsapp number telling there’s a man with no phone at the hostel who’d like to spend the night here. Maybe they can tell us what to do.’
‘That would be lovely. Thank you.’
Terwijl ik op mijn telefoon bezig ben, zeg ik tegen de man dat ik niet helemaal zeker weet of de Sara waar ik via het Whatsapp-nummer contact mee heb gehad, een bot is of een echt levend persoon die hem kan helpen inchecken.
‘That would be nice to watch. An actual bot walking through that door! What would she look like?’, grapt hij. Fijn, de man heeft humor. Geen telefoon.
Na wat heen en weer ge-app met Sara, en mijn aanbod om de kosten voor te schieten omdat er online betaald moet worden (en Hugh dat zonder telefoon dus niet lukt), zegt Sara dat ze over 10 minuten in het hostel is. Ze blijkt geen bot te zijn, maar een sympathieke Spaanse vrouw, die mij uitvoerig bedankt voor mijn hulp en vervolgens Hugh helpt met inchecken en betalen. Daarna vertrekt ze weer.
Hugh en ik praten gezellig door, hoewel ik intussen behoorlijk moe aan het worden ben. Het is al na tienen en vandaag was de camino lang, saai (asfalt!) en warm. Maar ik hoor mezelf nog doorpraten over wat ik onderweg allemaal tegen ben gekomen. En ik word emotioneler. ‘These very old men sitting in front of their house, just staring, mesmerizing. At ease. They look so fragile, so vulnerable yet so fierce. They remind me of my dad.’ Nu worden mijn ogen vochtig.
Het lukt me na anderhalf jaar nog niet om met droge ogen over papa te praten. En hier in de weidsheid van Noord-Spanje, met zijn grillige kust, brede stranden, glooiende weilanden, kalme bergen en kleine dorpjes voelt papa dichter bij me dan in Nederland. Het komt door de natuur. Want hoewel papa niet van Spanje hield – waarom heb ik nooit begrepen – hield hij enorm veel van natuur. Niet voor niets koos hij begin jaren ’70 een bosrijke omgeving op de Veluwezoom om een huis te bouwen. Het huis dat ik het afgelopen jaar in mijn eentje heb opgeruimd, leeggehaald en verkocht. Het huis dat vrijwel nooit een klusjeman of tuinman zag, want papa deed alles zelf. Hij kon ook alles zelf. En als hij iets nog niet kon, leerde hij het zichzelf. Misschien zie ik dat wel in die oude mannetjes die voor hun huis zitten te zitten. Onverzettelijkheid, onafhankelijkheid, eigengereidheid. Ze blijven net zo lang in hun huis wonen tot het echt niet meer kan. Zo wilde papa het ook.
Heb ik zijn wens wel gerespecteerd, toen hij naar het hospice ging? Hij had toch thuis kunnen blijven wonen met steeds wat meer verzorging? Dan had hij thuis kunnen overlijden. In het huis dat zo hij was, zo zijn stempel droeg. Een scheut van schuld en spijt schiet door me heen. Heb ik het wel goed gedaan op het laatst? Had het anders gekund? Nee, weet ik verstandelijk; voor mama was het ondraaglijk geworden om papa tot het laatst toe thuis te houden. Het was nu al te zwaar voor haar. Maar toch…
En ik zie de oude mannetjes weer. Ze schuifelen met kromme rug achter hun rollator. Ze lachen hun tandeloze lach, terwijl ze naar me zwaaien. Ze groeten met hun ogen. Ze duwen hun kruiwagen langzaam de heuvel op. Ze zitten voor hun huis. Ze zijn.
Barro, 25 maart 2026
Na dagen vol zon en strakblauwe luchten, neem ik vandaag een verregende etappe op de koop toe. Ik ben op weg naar Ribadesella en de hemel huilt. Dat heeft invloed op de muziek in mijn hoofd. Waar de meeste mensen tegenwoordig continu via airpods naar hun favoriete muziek op Spotify luisteren, hoef ik nooit een app aan te zetten of airpods in te doen om muziek te horen. Ik kan, zolang ik me kan herinneren, op ieder moment muziek in mijn hoofd opzetten en dat klinkt dan hetzelfde als op Spotify. Het timbre van de stem, de scherpte van de snare, het bonken van de bas; ik hoor en voel het allemaal. Ik zie de muzieknoten dansen op de balk. Zo buitelden de afgelopen dagen bijvoorbeeld flarden, melodielijntjes en teksten van de volgende liedjes over elkaar heen: Mad World (Tears for Fears), Les Fleurs (Minnie Ripperton), Chicken Teriyaki (Rosalía), Family snapshot (Peter Gabriel) en By the way (Barbra Streisand).
Maar niet vandaag in deze regen. Ik ben doorweekt en mijn handen zijn klam. Gelukkig heb ik gisteren een uur in de wasserette van Llanes gezeten, zodat alle kleren in mijn rugzak schoon en droog zijn. Ik verheug me nu al op de warme douche van vanmiddag en het moment daarna, dat ik droge kleren aan mag doen en op bed kan ontspannen. Maar eerst deze regen trotseren. O, wat zou ik nu graag even opwarmen in een bar, met een cortado. Op de Gronze-app heb ik in Naves een paar barretjes gezien. Dat is halverwege de etappe; mooi moment om te stoppen. Op het overdekte terras van Casa Raúl – het enige restaurant van Naves dat niet gesloten oogt – heb ik net mijn rugzak afgedaan wanneer de eigenaresse me wegstuurt: ‘cerrado.’
‘Lo siento, señora.’
Oké, knop om, rugzak om en nog even door dan maar. Een beetje medelijden met mezelf heb ik inmiddels wel gekregen. Ik heb het ook gewoon koud.
Ik voel mijn vingers amper.
Ik moet naar de wc.
Ik wil koffie.
Ik heb geen uitzicht.
Ik mis papa.
Als ik onder een viaduct doorloop, valt mijn blik op een oude, want van kleur verschoten, affiche. Er staat een knappe vrouw met kort haar op en eronder staat ‘Mecano 2021.’ De Spaanse band Mecano – begin jaren ’90 bekend van ‘Hijo de la luna’ – trad kennelijk in 2021 hier in de buurt op. En dan plotseling, met de ruis van regengordijnen om me heen, gaat de radio in mijn hoofd aan en valt alles samen. Ik zie papa voor me in al die oude mannetjes. Ik hoor Mecano mijn lievelingsliedje zingen: ‘Me cuesta tanto olvidarte’. De tranen biggelen over mijn wangen, en ik vraag me af waarom ik nooit eerder dit liedje in verband heb gebracht met het verdriet om papa’s dood. Want toepasselijker kan een songtekst haast niet zijn!
Ik besef dat het hardop zingen van dit lied nog veel meer tranen bij me gaat opwekken, maar het kan me niks schelen. Ik doe het:
Entre el cielo y suelo hay algo
Con tendencia a quedarse calvo de
Tanto recordar
Y ese algo que soy yo mismo
Es un cuadro de bifrontismo
Que solo da una faz
La cara vista es un anuncio de signal
La cara oculta es la resulta
De mi idea genial de echarte
Me cuesta tanto olvidarte
Olvidarte me cuesta tanto
Olvidar quince mil encantos es
Mucha sensatez
Y no sé si seré sensato
Lo que sé es que me cuesta un rato hacer
Cosas sin querer
Y aunque fui yo quien decidió
Que ya no mas
Y no me cansé de jurarte
Que no habrá un segunda parte
Me cuesta tanto olvidarte

