Ik huil. Om een doodgewone Amerikaan in Minneapolis die is doodgeschoten door ICE. Ik huil niet zo snel om het grotere leed in de wereld. Het raakt me, maakt me misselijk, ik krijg er een knoop van in mijn buik. Maar dat de tranen in mijn ogen springen? Nee, dat gebeurt zelden.
Misschien had ik het niet moeten doen: kijken naar de beelden van de aanloop, de aanval en de afloop van wat er gisteren op klaarlichte dag – en in de vrieskou – in Minneapolis gebeurde. Hoe een man die iemand anders op geweldloze manier probeert te beschermen, wordt geduwd, vastgepakt en naar de grond gewerkt door meerdere ICE-agenten. Hoe ze bovenop hem zitten, terwijl hij spartelt en schreeuwt. Hoe er enkele ICE-collega’s komen aangelopen en meedoen. Hoe al vrij snel eentje van hen zijn wapen uit zijn rechterbroekzak pakt en schiet op de spartelende man. Hoe zijn collega’s de man loslaten en zich van hem verwijderen. Hoe de schutter blijft schieten, terwijl de man in een laatste poging in leven te blijven zijn bovenlichaam opricht en een kogel in zijn rug ontvangt. Hoe dood de man is. Dood. Dood. Dood. Hoe zinloos. Hoe rechteloos. Hoe eng. Doodeng.
En dan te bedenken dat dit een witte man was. Geen zwarte, waar Amerikaanse dienders sowieso al vaak moeite mee hebben. Nee, dit was één van ‘hen’. Net als de vrouw in Minneapolis twee weken geleden: Renée Good. Het voelt als de volgende sport op de escalatieladder die nu is bereikt. Hoeveel sporten heeft deze ladder eigenlijk? Hoe lang duurt het voordat je van een burgeroorlog kunt spreken? Burgers tegen de overheid. Witte, zwarte, gele, bruine, gemixte Amerikanen tegen een oligarchisch clubje van verbitterde, fantasierijke en wereldvreemde (zaken)mannen, dat het land bestuurt. Dat mag geen overheid genoemd worden. Dat is geen America First. Dat is Evil Vanity.
Als ik slechts één menselijke eigenschap zou moeten noemen waar ik absoluut niet tegen kan, dan zou dat zijn: onverschilligheid. Het woord klinkt zo aangepast, zo beschaafd, haast onopvallend. En dat is precies zijn bedoeling. Maskeren dat het de kiem is van chaos, kwaad en uiteindelijk het einde van alle menselijkheid. Ik ben allergisch voor onverschilligheid. Ook fysiek: zodra ik het bespeur, gaan mijn hartslag en ademhaling omhoog, staat mijn zelfbeheersing onder druk, wordt de Messias in mij wakker. Ik wil dan – nee, ik moet – de mensen die ik liefheb erop wijzen dat ze moeten oppassen, opstaan, opletten voor die onverschilligheid. Te vaak reageert mijn omgeving hierop vergoelijkend; ‘ach, zo’n vaart loopt het niet’, of ‘stel je niet aan’. Te vaak word ik niet geloofd en voel ik me een roepende in de woestijn. Geregeld krijg ik enkele weken, maanden na mijn oproep het gelijk aan mijn zijde. Dan denk ik ‘zie je nou wel’, maar ik zwijg. Want het is te verdrietig dat wederom de onverschilligheid een overwinning heeft behaald. Maar na het zien van de beelden uit Minneapolis vandaag, denk ik dat zwijgen niet meer de juiste respons is.
Als onverschilligheid wint van onschuld, dan moet die onschuld juist kracht worden bijgezet. Genoemd worden. Gehoord worden. Daarom zijn naam: Alex Pretti.

